Van Egeraatselen - De Uithof
Week van de Briljante Stukjes woensdag 5 maart 2008 12:24 pm
Het moet in de nazomer van 2002 geweest zijn dat ik Erick van Egeraat voor het laatst had gesproken. Ik kende hem niet, had nooit van hem gehoord zelfs, maar zijn reputatie van Groot Architect had me de laatste dag verwachtingsvol, maar ook nerveus gestemd.
Ruim een kwartier voor de geplande afspraak legde ik de drie minuten durende tocht van de collegezalen in het AZU naar het Educatorium af. Ik passeerde het Bestuursgebouw, waar op de bovenste verdieping, staande voor een raam, telefoon in de rechterhand, de rector zichtbaar was. Ik had op hetzelfde instituut gewerkt, maar hij was eerder gepromoveerd, eerder hoogleraar geworden, eerder decaan en nu was hij rector. Hij zwaaide uitbundig. Ik wilde terugzwaaien, maar tegen de tijd dat ik mijn zweterige handen uit mijn broekzakken had weten te krijgen, die zich daarbij als ontrolde sokken aan de buitenlucht presenteerden, was de rector al uit mijn zichtveld verdwenen. Een gemiste kans.
Het was deze rector geweest die ter meerdere eer en glorie van de universiteit, maar vooral van zichzelf, een veel te dure bibliotheek had laten neerzetten. Zwart als het ding was, zoog het al het licht van de omgeving op. De zon der gerechtigheid leek niet meer te schijnen. Kostenbeheersing was niet de inzet geweest van zijn beleid. Het stak me, zeker nu.
Ik liep inmiddels langs het fantasieloze, maar o zo functionele Transitorium, waar enkele studenten hard gespannen verscholen gingen in hun boeken. Studenten die op donderdag na vijven nog aan het studeren zijn, het kan twee dingen betekenen: of er is morgen tentamen, of er is vanavond een feest, dat vooruitwerken noodzakelijk maakt. Aan de overkant van de Leuvenlaan maalden schapen traag hun galgenmaal. Morgen practicum.

Het Educatorium gaat speels op in de omgeving. Een knap staaltje omgevingsgerichte architectuur.
Voor het Educatorium, het architectonische pronkstuk van de Uithof, bleef ik staan. Zacht reciteerde ik nog eens de boodschap die ik Van Egeraat te brengen had. Anticiperend op de schaamte liep ik een eindje het uit grof beton gegoten en blind eindigende hellend vlak op. Op een van de gekleurde, amorfe en door Rem Koolhaas persoonlijk geconcipieerde, plastic druppels ging ik zitten. Een grote zwarte SUV stopte. Het achterportier zwaaide open en een rijzige gestalte waaraan alles schitterde stapte uit. Het oranjerode licht van de vroegeavondzon weerscheen op de haren die altijd in een zachte bries leken te hangen, op het van de fijnste wol geweven pak, de zilvergrijze stropdas en de zilveren gespen van zijn Italiaanse schoenen.
Onder het uitwisselen van enkele beleefdheden liepen we naar binnen. Via de volgende helling, waarvan het beton helaas even glad was als de onderkant van mijn schoenen, kwamen we in de mensa. Hier weinig studenten; wel een peperdure bibliotheek neerzetten, maar tegelijk bezuinigen op het universiteitsvoedsel. De term alma mater konden we maar beter snel vergeten.

Druppels, druppels op m'n glas. Druppels, druppels, druppels op jouw huid
Ik zette kibbeling, friet, een bakje vla en een klein flesje wijn op
mijn dienblad. Van Egeraat ging voor de daghap en een blikje tonic. "Samen afrekenen, asjeblieft. En mag ik het bonnetje?" We gingen zitten aan een tafel dicht bij de toiletten. Het was de enige plek waar we op een normaal geluidsniveau met elkaar konden spreken. Het lijkt wel alsof esthetiek en bruikbaarheid elkaar uitsluiten. Dat, of architecten zijn compromisloos.
"Leuk dat u me juist hier hebt uitgenodigd", zei Van Egeraat met een
accent dat een regelmatig verblijf in de Angelsaksische wereld deed vermoeden. "Dit gebouw is bijna paradigmatisch geworden voor alle nieuwe gebouwen in de Uithof. Het gebruik van glas en breed opgezette ruimten symboliseert de openheid van De Academie, terwijl de hellingen tussen de verdiepingen een gelijkmatig leertraject voorstellen. Het verwerken van wat er dag in, dag uit in een gebouw gebeurt, geeft meer diepte aan dat proces, ik durf zelfs te zeggen dat dat het meer vanzelfsprekend maakt, als het ware. Proces, gebouw en gebruiker worden op die manier één entiteit. Neem nu dat gebouw dat ik voor u ontwerp, het is bestemd voor Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen, dat moet je ook terugzien. Logisch gevolg is natuurlijk wel dat we gebruik zullen moeten maken van redelijk unieke materialen en methoden..."
Mijn onderlip begon hinderlijk te trillen toen ik hem onderbrak: "Dat is inderdaad waar ik het met u over moest hebben, want gezien de Kaderstellingsbrief Nieuw Gebouw, waarin ook de kosten worden geprognosticeerd... Nuja, u begrijpt dat het financiële pakket wel verantwoord moet worden. De universiteitsraad is bijvoorbeeld al gesensitiseerd door de torenhoge kosten van de bibliotheek."
"Ik begrijp het, professor. Maar wij architecten denken niet in kosten, maar in concepten. Neem de Uithof als geheel, als deel van de stedelijke anatomie. Ingesloten tussen de A28 in het noorden en de A27 in het westen, ligt de Uithof in de oksel van Utrecht, verkeer uit Zeist draineert als lymfe op het snelwegknooppunt."
Anatomie van de stad. De Uithof in de oksel, met de botanische tuinen als meest proximale deel, waarin gewassen gedijen als okselhaar. Je moet maar durven. Fijn ook voor de lagergelegen wijken, die liggend aan het Amsterdam-Rijnkanaal, wel de schaamstreek moeten zijn. Ingedutte wijken, waar tussen negen uur 's ochtends en zes uur 's avonds niets gebeurt. Tussen zes en negen overigens ook.
"Maar het uitgangspunt bij het ontwerpen van de Uithof was weinig
organisch" ging van Egeraat verder, "Als je naar de plattegrond kijkt,
zie je dat het gebied grosso modo is opgedeeld in drie stukken. In het
westen de bètagebouwen, langs de centrale as de
geesteswetenschappen
en pas achter de Universiteitsweg, helemaal aan de achterkant van de Uithof, staan alle biomedische gebouwen. Ook omdat streng tot op de rooilijnen is gebouwd, lijken de biomedici los te staan van de universiteit. Herkent u dat een beetje, als decaan bedoel ik? U wilt vast ook wat meer bij de universiteit betrokken zijn." Nog voordat ik antwoord kon geven schoof Van Egeraat zijn dienblad opzij, haalde ergens een ingekleurde schets vandaan en vertelde.

Leuk hoor, architectuur, maar van boven zijn alle gebouwen hetzelfde.
Hij vertelde hoe het nieuwe gebouw, bestemd voor onderwijslokalen, tussen het AZU en het Stratenum geklemd en ermee verbonden, de brug zou vormen tussen patiëntenzorg en onderzoek. De ingang moest de hoofdingang voor het hele complex vormen, uitnodigend gericht op de rest van de Uithof. "Drie kegels van licht laten we vanuit het dak naar beneden uitsnijden en de muren en vloeren worden grijsgroen en rood, dat symboliseert de gal en het bloed. De gebruiker moet zich thuisvoelen. Licht, ruimte, weg met de blokkenstructuur! Zo heb ik het ook aangepakt bij de Faculteit Economie en Management. Ik bedoel, de collegezaal hangt daar in de lucht, zodat je eromheen en onderdoor kunt lopen. De leslokalen liggen rond een moderne binnentuin. Openheid. De esthetiek van de eigen fantasie." Met een dromerige glimlach veegde hij een belletje speeksel van het papier.
Het was het verkeerde moment, maar ik moest het nu zeggen, anders kon het niet meer. "Ik zie toch wat budgettaire problemen, we hebben het nog eens laten doorrekenen en ik denk dat we toch wat dingen moeten aanpassen. Het is niet dat we uw plannen niet mooi vinden, maar misschien is het wat té, ehm, ambitieus voor ons."
Nog steeds met die glimlach zei Van Egeraat: "Ik begrijp het, maar mijn ervaring is dat er altijd wel uit te komen is." Het bleef even stil, tot de architect verder ging: "Eén van onze plannen was trouwens dat de bestuurskamers op de bovenste verdieping zouden komen, gericht op de Uithof. Prachtig uitzicht, want je kunt nog over het Bestuursgebouw heenkijken."

Het Heijmans van den Bergh-gebouw. Variaties op het thema "schoenendoos".
Dat was ruim vijf jaar geleden. Het gebouw was inmiddels opgeleverd en in gebruik genomen, een nieuwe generatie studenten liep er rond alsof het nooit anders geweest was. Niet lang geleden had ik er nog met Van Egeraat afgesproken. Hij legde toen een in plasticfolie gewikkeld broodje brie op zijn bord en nam er een vruchtenyoghurt bij. Voor mij een tosti en een kop thee. "Gezamenlijk afrekenen alstublieft en mag ik het bonnetje mee?" We gingen zitten onder de kroonluchter van zestigduizend euro, die was opgehangen in één van Van Egeraats "kegels van licht". "Gefeliciteerd met de Rietveldprijs" zei ik hem, "het is een mooi gebouw." Ik vertelde hem niet over de gebruikersevaluatie, erg positief was die namelijk niet. Studenten en medewerkers klaagden over de onbruikbaarheid van de lokalen. "U heeft meer dan één prestatie weten te leveren, ik ben u daar dankbaar voor. Het was de overschrijding van het budget waard."
Voordat de architect het achterportier van zijn zwarte SUV sloot kwam die glimlach weer op zijn gezicht: "Ik zou bijna vergeten u ook te feliciteren. Bij dezen dus. Misschien heb ik er iets aan kunnen bijdragen, maar misschien was het ook wel een vanzelfsprekendheid." Door de ruit zag ik hem zwaaien, de telefoon al aan het oor. Ik knikte hem toe en liep het korte stuk terug naar het Bestuursgebouw.


maart 5th, 2008 at 1:41 pm
Haha. +1 Oksel van de stad
maart 5th, 2008 at 3:02 pm
Maar, WAT IS JE MENING??!
maart 5th, 2008 at 4:17 pm
Lekker saai baksteenstukkie weer!
maart 9th, 2008 at 5:32 pm
"Het lijkt wel alsof esthetiek en bruikbaarheid elkaar uitsluiten". Nou, de Duitsers konden die twee anders goed met elkaar verenigen hoor!